Thermoformeren

Wat is thermoformeren?

Thermoformeren of vacuümvormen is een proces dat voorverhitte folie in een (vacuüm)vorm tot een product vormt.

/thermoferen2.jpg

Het thermoformeerproces bestaat uit vier stappen:

1. Verwarmen van de folie

De folie wordt verhit tot ongeveer 450°C. De warmte maakt de folie elastisch, zodat hij kan worden vervormd. Een transportketting trekt de folie door de vacuümvormmachine. Om de folie vast te houden, maakt de ketting gaatjes in de rand van de folie (kettingrest).

2. Vormen van het product

Een spanraam klemt de folie af. Alleen het stuk dat zich daarbinnen bevindt, wordt vervormd. De machine brengt het vormstuk tegen het folieoppervlak en zuigt de ruimte onder de folie vacuüm. Resultaat: de folie wordt in het vormstuk gezogen. Eventueel blaast de machine tijdens dit proces vormlucht mee om de folie nog beter in de holtes van het vormstuk te krijgen.

3. Stansen van het product

Bij inlinestansen zit in de vacuümvormmachine een stansstation dat de producten stanst (uitkapt). Bij offlinestansen komen er niet-gekapte vellen uit de vacuümvormmachine. Deze worden dan later gestanst (bijv. met een vlakstans). De resten rondom het gestanste product noemen we het skelet. Kleine haakjes (nicks) zorgen ervoor dat gestanste producten nog even in het skelet blijven hangen. Ze dienen als houvast om het product naar de stapelaar te voeren.

4. Stapelen van het product

Heel wat vacuümvormmachines zijn uitgerust met een geïntegreerde stapelaar. Die scheidt de vacuümgevormde producten van het skelet. Het eindproduct komt netjes gestapeld uit de machine. Het skelet wordt opgerold en is klaar voor recyclage.

De vacuümvormmatrijs

Een vacuümvormmatrijs is eigenlijk een matrijzenset in vijf delen:

  1. Basisplaat of bevestigingsplaat. Hierop worden alle andere delen gemonteerd. De basisplaat wordt vastgemaakt in de vacuümvormmachine.
  2. Koelplaat. Door de koelplaat loopt koelwater. Zij zorgt voor een constante temperatuur van het vormstuk. Temperatuurschommelingen hebben immers een negatieve invloed op de uitvorming van het product.
  3. Vormstuk. Hierin zijn vacuümgaatjes geboord die ervoor zorgen dat de folie in het vormstuk wordt gezogen. Het vormstuk bepaalt de uiteindelijke vormgeving van het product.
  4. Spanraam. Het spanraam klemt de folie af. Alleen het ingeklemde stuk wordt vervormd.
  5. Bovenstempel. Een bovenstempel kan als extra hulpstuk bij de vorming van het product worden gebruikt. Hij duwt de folie in de holte, waardoor de folie sneller in het vormstuk wordt getrokken. Vooral aangewezen bij moeilijke of relatief diepe vormen.
/thermoferen.jpg

Soorten vacuümvormmachines

Er zijn twee soorten vacuümvormmachines. Het onderscheid zit in de verwerking van de folie.

Standaardmachines werken met folie op rollen. De dikte van de folie varieert van 100 micron tot 1,8 mm.

Platenmachines werken met folieplaten. Ze worden vooral gebruikt voor grotere producten, en voor toepassingen met dikkere folie. De dikte van de platen kan oplopen tot 6 mm.

Materiaalkeuze

Deze materialen zijn geschikt voor vacuümvormen:

  • PVC - polyvinylchloride
  • PET (A, G, GAG) - polyethyleentereftalaat
  • PP - polypropeen
  • PS - polystyreen

Vacuümgevormde producten

  • blisters;
  • transportverpakkingen (alles met een bundelende en/of beschermende functie);
  • saladebakjes en andere voedingsverpakkingen (bijv. om kant-en-klaarmaaltijden te verpakken);
  • inleggers;
  • toonbankdisplays;
  • specials zoals afdichtingsstoppen, deksels, plastic machineonderdelen.

Nóg meer weten over vacuümvormen? Of wilt u een product laten vacuümvormen? Neem dan contact op met dé specialist via http://www.bwa.be.